ten eerste begrijp ik niet dat je met deze lange tekst van D. Caputo komt. In het voorgaande werd er vlijmscherp aangegeven waar de gebreken liggen in jouw religieuze denken.
Als antwoord hierop kom je met een tekst aan die nota bene deze gebreken juist tot in de puntjes illustreert. Wil je ermee zeggen dat er anderen zijn die aan dezelfde gebreken in het denken lijden?
De stelling van de eerste zin is helemaal niet waar. Indien het waar zou zijn, dan zou er in moderne tijden geen religie meer zijn, want het is allang een uitgemaakte zaak dat er niet zo iemand bestaat die weet en erom geeft dat wij hier zijn.Theoloog schreef:John D. Caputo - over Religie
In zeker opzicht draait het bij religie allemaal om de vraag “Is er iemand die weet en die erom geeft dat wij hier zijn?” Is er iemand die dit ziet? Is er iemand die hier nota van neemt, die het zich aantrekt? Is er iets om er zin aan te geven? Waakt God “in de hemel”over ons, telt Hij iedere traan en iedere haar op ons hoofd, weet Hij wat er leeft in het hart van ieder van ons? Is er iemand tot wie we kunnen bidden, iemand die de geheimen van ons hart kent, het goed en het kwade tegen elkaar afweegt, en met macht en wijsheid alle dingen ten goede keert?
Alle verhalen over zo’n God zijn aantoonbaar verzinsels en primitieve invullingen van menselijke kinderlijke behoeften, en de natuurwetenschap levert overtuigende argumenten op om de vraag negatief te beantwoorden.
Het gaat dus om iets geheel anders, iets wat al meteen boven komt drijven in de eerste zinnen: “om er zin aan te geven”, “om het goede van het kwade tegen elkaar af te wegen”, “om met macht en wijsheid alle dingen ten goede te keren”. In het religieuze denken gaat het dus niet om de zin van het bestaan, ook niet om het bestaan van God, maar enkel en alleen om de psychische bevrediging van de mens.
Dat het laatste wel het geval moet zijn is ook al meteen duidelijk uit het feit dat men met "goed en kwaad tegen elkaar uitwegen", "het alle dingen ten goede keren", een soort laatste oordeel dus, of een soort eindtoestand, op geen enkele manier de barre tocht zin kan geven. Het is de doodeenvoudige filosofie van een maratonloper die op het eind van zijn klus een gouden medaille wil hebben. Blijkbaar moet er ook zilver en brons worden uitgedeeld en aan de rest troostprijzen, zodat men 'eind goed, al goed' kan zeggen. Is dat niet als zin van de maraton het allerkinderlijkste denken? En kan een prijsuitreiking aan een oorlogsslachtoffer of mismaakt geborene zin geven aan het gebeuren?
Zelfs al zou het antwoord op de eerste zin van Caputo een volmondig ja zijn (er is zo’n God die om ons geeft), dan nog is de zin van alle ellende die de mens ervaart even ondoorgrondelijk. Sterker nog, zij is nog een graad groter geworden: indien zo’n God bestaat dan is het des te erger dat de werkelijkheid zo benauwend is voor deze wanhopige mens die niet kan leven met de werkelijkheid.
Beste Theoloog, als lotgenoot, als iemand die je een paar jaar voor is, kan ik je verzekeren: verdiep je een langere tijd in Nietzsche, en er zal een nieuwe wereld voor je opengaan. Zijn tweesnijdend zwaard zal door alle inelkaar geflansde theologische drogredenen en slimmigheden van alle religieuze eeuwen snijden en je religieuze tere ziel tot op het bot blootleggen. Ga hem lezen en je zult voorgoed gered worden uit je negatieve denken. Ik leed aan precies hetzelfde denken als van jou en Caputo, en Nietzsche was de enige die de kracht had mij volledig te ontmaskeren. Hij was de enige die theologen neer kon zetten voor wat ze in wezen zijn: hansworsten van het denken. Hij heeft er ook hele mooie alternatieve benamingen voor. Als theoloog lig je de hele tijd krom van het lachen wanneer je bij hem telkens over jezelf leest.Of zijn we, geheel volgens het sombere beeld dat Nietsche schetst, alleen maar kleine wezentjes die over de korst van een afgelegen planeetje in een uithoek van het heelal rondkruipen en grote woorden verzinnen zoals “de liefde tot God”? Op den duur, zegt Nietsche, zal het planeetje zijn vaart verliezen en weer de zon in duiken, tot as vergaan, en die wezentjes met hun grote woorden moeten dan sterven. En dan? De kosmos haalt even adem en gaat weer voort, volstrekt onaangedaan door ons lot, zonder spijt en zonder zelfs maar een gedachte aan ons, want de kosmos denkt helemaal niet. Zullen wij en al onze mooie woorden spoorloos verdwijnen? Zullen wij allemaal een vergeten taal hebben gesproken? Is dat ons verhaal, onze geschiedenis, ons lot? Die verlammende gedachte noem ik het tragische levensgevoel
Let op hoe de schrijver van de tekst Nietzsche naar voren haalt als de schilderaar van somberte en verlammend denken. Dit is geheel ongepast. Het is de wetenschap die het beeld schetst van de werkelijkheid waarin de mens zich bevindt. Dat de religieuze schrijver dit op rekening van Nietzsche zet is een slimme zet: op die manier kan hij doen alsof het maar om een kijk op het leven gaat. In werkelijkheid worden ons hier feiten voorgeschoteld waar we niet omheen komen.
En dit is nu juist de verdienste van Nietzsche: hij is tot op het bot een religieus denker, maar hij ontmaskert zichzelf, en ziet in dat de religieuze antwoorden leugens zijn, enkel en alleen gedragen door het denken van decadent menszijn. Het is bewust de ogen dicht doen voor de feiten en de werkelijkheid inkleuren met leugens.
Inderdaad begrijp ik het:de schrijver staat volkomen negatief in het leven. Hij is niet opgewassen tegen de realiteit van het leven. Hij haat het leven, hij is wanhopig. Hij legt op het denken van Nietzsche het stempel 'somber' en 'verlammend denken'. Hij is volkomen moedeloos, krachteloos, apathisch, geestelijk ziek.en u begrijpt wel waarom ik er iedere nacht van loop te ijsberen.
Als een grammofoonplaat waar een kras op zit begint het gejammer weer van voren af aan. De schrijver is opgesloten in een sombere, klamme kerker, waaruit hij nooit op eigen kracht uit kan komen. Hij móet zich dus wel met waandenkbeelden bevredigen om het gejammer te doen ophouden.Weet iemand dat wij hier zijn? Kan het iemand iets schelen? Zijn wij alleen? Is er niets buiten de harteloze en onverbiddelijke ritmes, niets dat liefdevol of aardig of eerlijk is?
In werkelijkheid ligt het antwoord voor zijn gejammer voor het oprapen. Een kind van vijf kan hem vertellen dat er meer dan 6 miljard mensen om hem heen zijn, en hij dus niet alleen is. Wij mensen zijn bovendien niet harteloos, niet onverbiddelijk, niet ongenadig, het kan ons inderdaad wat schelen, we zijn over het algemeen liefdevol, aardig, en eerlijk. Er is dus geen godsdienst mogelijk, maar wel mensdienst.
Waarom in vredesnaam een vraag opwerpen, terwijl het antwoord zo overduidelijk 'ja natuurlijk' is? Bovenstaande is inderdaad het sublieme antwoord voor de mondig geworden moderne mens.Moeten we niet de raad van Nietsche opvolgen en de rug rechten, stoppen met jammeren en leren dit noodlot lief te hebben, te houden van de flits in de tijd die ons wordt vergund en niet te veel vragen te stellen, niet te zoeken naar meer? Moeten we maar leren het leven puur te nemen, zonder toevoeging van zoetmiddelen of neutraliserende stoffen die het van zijn scherpe kanten ontdoen? Moeten we de gave van het leven niet nemen voor wat deze is, “ja”zeggen op wat heet is en op niets meer of minder dan dat, zonder iets eraan toe of af te doen? Ja, op het leven. Op het leven zoals het is? Ja. Met al haar vreugden en verdriet, genoegens en smarten, geboorte en dood, vriendelijkheid en wreedheid in één grote keten aaneengeschakeld en totaal in elkaar verstrikt. Ja, ja. Zo sprak Zarathoestra.
Nietzsche heeft trouwens nooit gezegd dat je geen vragen moet stellen. Zijn denken komt voort uit exact het tegenovergestelde: het "Waarom, waarvoor, waardoor, waarheen, waar, wat? Is het niet dwaasheid nog te leven?" begeleidde zijn denken juist dag en nacht, zoals je bijvoorbeeld kunt lezen in Zarathoestra II.10.
Dit is niet de liefde tot God, want bovenstaande geponeerde God is een volmaakt waandenkbeeld gecreëerd uit kinderlijk eigenbelang, maar is de menselijke liefde voor het bestaan. De mens kiest voor de liefde ondanks alle tragiek.Het religieuze levensbesef, door mij omschreven als de liefde tot God, krijgt vorm in het aangezicht van dit gezichtsloze, komt tot stand tegenover dit gevoel van tragiek.
Nee, het tragische levensgevoel is de ziekte van de mens. Hieruit wordt inderdaad religie gebouwd.In zekere zin is het tragische levensgevoel zelf al een soort religie, een tamelijk heldhaftige religie die uit tragiek gevormd wordt en waarin de liefde tot God de vorm aanneemt van een “ja” tegen het tragische lot van de god Dionysus, van liefde voor noodzakelijkheid, amor fati, met andere woorden de liefdeloze liefde voor een liefdeloos noodlot. (…)
Maar wat hier 'heldhaftige religie' wordt genoemd, het heroïsche ja-zeggen op alles, is Nietzscheaans denken. De liefde voor het bestaan, de bevestiging van alles wat zich in het leven voordoet, is de amor fati, het leven van de gezonde mens.
Inderdaad, alles is voor de mens perspectivisch.Ik zeg niet dat de echte waarheid tragisch is, want volgens mij is ook de tragische visie maar één manier van kijken.
Het tragische en ook het heroïsche zijn slechts tussenstations.
Nietzsche spoort mensen aan ze te doorlopen en daarna op het perspectief van het kind te komen. Het kind staat voor een leven dat het eeuwig nu leeft, en dus niet gekweld wordt door verleden en toekomst, door eeuwige noodzakelijkheid en eeuwige wederkeer, eeuwige zinloosheid, de last van het dragen van steeds zwaardere lasten (de mens als kameel) en het verscheurende van de mens die telkens zijn heilig nee moet uitroepen (de mens als leeuw). Maar het gaat tever off-topic hier verder over uit te weiden.
Alweer goed gezien. De schrijver erkent dat hij ziek van geest is en zich niet tot liefde voor het leven kan inspireren.Het probleem is dat dit spook zoals ieder spook dat het zout in de pap waard is, zich niet door mij laat verjagen.
Lees hier hoe Nietzsche zijn 'spook' aanpakte:
"Zo wierp ook ik eens mijn waan aan gene zijde van de mens, zoals alle hiernamaalsgangers dit doen. Maar was het werkelijk aan gene zijde van de mens? Ach, broeders, deze god die ik schiep, het was eenvoudig mensenwerk en waanzin, zoals alle goden! Mens was hij, en slechts een armzalig hoopje mens, en Ikzelf was het: uit eigen as en gloed kwam het tot mij, dit spook! En waarachtig niet van gene zijde!
En hoe verging het mij? Ik overwon mijzelf, de lijdende, ik droeg mijn eigen as bergop, ik dacht een helderder vlam uit. En zie! Toen week het spook van mij!
En nu zou het lijden en kwelling voor mij genezene zijn, om aan zulke spoken ooit weer te geloven: lijden zou het zijn en vernedering. En dit zeg ik tegen alle hiernamaalsgangers. Lijden is jullie geloof en onvermogen - dít schept alle volgende werelden. En de korte waanzin van jullie geluk ervaart slechts degene die het allerziekst is en het diepst van allen lijdt. Vermoeidheid van geest is het, die met één sprong tot het uiterste wil, met een dodelijke sprong, een arme onwetende vermoeidheid die zelfs niet meer de wil heeft tot willen." (Zarathoestra I.3).
Ach, en wanneer men niet gezond kan worden, geen wil en kracht heeft om zichzelf te overwinnen, dan maar afgeven op het gezonde menselijke leven. Het bespottelijk maken, het meesmuilend van tafel vegen met modieuze scheldwoordjes. Ach hoe zielig is deze schrijver! Hoe leeft de theoloog toch geheel van retoriek, van zwarte woordkunst!Het achtervolgt mij dag en nacht. Maar hoe kwellend ook, het is een beetje te romantisch en een beetje te macho-achtig om mijn hart te stelen.
En maar doorgaan met de retoriek. Een aaneenrijging van termen om het gezonde maar belachelijk te maken en eigen zielig denken maar te rechtvaardigen.De tragische visie heeft het perverse soort aantrekkingskracht van wanhopig heldendom, van een uitdagend vuistenballende heroïek, het beleeft genoegen aan het vervloeken van de duisternis en danst daar zelfs bij, zegt er “ja” op, kijkt de kosmos recht in de ogen en daagt die uit om onze wil te breken. Laat ons het leven liefhebben, zegt deze heldenromantiek, want het leven is wreed, maar heeft geen schuld aan onrecht en wij zijn spijkerhard. Waar ik niet dood van ga, daar wordt ik sterker van, kraaide Nietzsche: gelukkiger, gezonder, subliemer – ja, ja! Daarom wil ik dit alles niet als liefde tot God betitelen; het heeft meer weg van liefde tot orgasmen (waarbij ik meteen opmerk dat ik daar niet zonder meer tegen ben), of van het gesnoef van de “jongens” na een wedstrijd.
Let op: Nietzsche 'kraait' opeens. Zijn denken is inderdaad op vele manieren aantrekkelijk, maar hierop kan met een 'pervers' geantwoord worden om het maar te kunnen verwerpen. Het is inderdaad heroïsch, maar nu vinden we de prachtige frase 'het gesnoef van de “jongens” na een wedstrijd' om het maar weer afdoende te pareren.
O, wacht even, "liefde tot orgasmen" nog even erin gooien, dan winnen we de lezer meteen voor ons standpunt.
Welk een onzin wordt hier geponeerd.In de tragische visie zijn de wrede onverschilligheid van natuurrampen en de boosheid in een mensenhart allemaal hetzelfde, allemaal even onschuldig, evenzeer de uitkomst van onpersoonlijke en onwetende natuurkrachten. Kleeft er schuld aan de harde wind en woeste golven als ze duizenden kustbewoners van hun huis en van het leven beroven? Of aan de regen omdat straten en steden en akkers worden overstroomd? Of aan een havik die zijn pooi verscheurt? Of aan de leeuw die een hert vangt? (Zo is het wel genoeg, maar we gaan nog even door.) Of aan de nazi-beulen die miljoenen “onschuldige” mensen hebben “uitgeroeid” uit naam van een gruwelijke ideologie? Of aan terroristen die “onschuldige” kinderen verminken en vermoorden? Ziet u de adder onder het gras van de tragische macho-logica. Als alles onschuldig is, dan verdienen onschuldige kinderen geen speciale bescherming tegen de al even onschuldige krachten die hen om reden van zelfverrijking en zelfverheffing in de pan hakken. Er is geen moreel onderscheid tussen tegenwind en een sigarettenfabrikant die winst najaagt door kwetsbare jongeren over te halen tot kankerverwekkende gewoontes.
Ten eerste is de benaming "tragische visie" slechts voor de religieuze visie van toepassing. De religieuze mens is tragisch. Hij is verstrikt in negatief denken.
Voor wat de schrijver hier "tragische visie noemt" moet men eenvoudig lezen: het wetenschappelijk wereldbeeld.
Vervolgens komt Nietzsche met een kijk op het leven dat de mens bij het aanzien van de wetenschappelijke feiten niet moet vervallen in een tragische visie, waarop slechts waandenkbeelden afdoende soelaas kunnen bieden, maar deze werkelijkheid recht in de ogen moet kijken en zijn menselijke kracht aan moet wenden om zijn eigen tegenwereld op aarde daadwerkelijk te scheppen.
Hoe komt deze religieuze schrijver erbij om opeens te denken dat iemand zoals Nietzsche (of welke atheïst ook) automatisch uitkomt op "Er is geen moreel onderscheid tussen tegenwind en een sigarettenfabrikant die winst najaagt door kwetsbare jongeren over te halen tot kankerverwekkende gewoontes." ? Deze man heeft dan nooit één woord van Nietzsche gelezen (zoals in de regel alle religieuze mensen nooit een boek van hem gelezen hebben).
Nee, daar komt het niet op neer.Het komt allemaal neer op kosmische krachten die hun gang gaan.
Ach, hier komt weer de christelijke decadente God om de hoek kijken, de God van alles wat afgetakeld, zielig en hopeloos is, de God van de schuilplaatsen, duistere hoeken, de God van de zwakken. Maar zij noemen zich nooit de zwakken, maar altijd 'de goeden'. Het is de wraakneming van de zwakke op het gezonde, krachtige, levensvreugdige.hier zien we trouwens ook waarom de liefhebbers van het noodzakelijke in de politiek gewoonlijk in de rechterflank staan; ze zeggen in de regel dat we de moed moeten hebben om de dingen te houden zoals ze zijn, zwakheid en armoede niet moeten verwennen, terwijl religieuze mensen, liefhebbers van het onmogelijke, in de sloppenwijken bezig zijn en proberen de dingen te veranderen, de waarheid te doen.
Nietzsche schrijft hierover: "Zijn wereldrijk is de onderwereld, een hospitaal, een rijk van het souterrain, van het getto...en Hijzelf, zo bleek, zo zwak, zo decadent. Zelfs de bleeksten van alle bleekneuzen, de metafysici, de albino's van het denken, zijn hem nog de baas en schrijven hem de wet voor. Het christelijke godsbegrip, God als ziekengod, God als gedachtenspin, is één van de meest corrupte godsbegrippen waartoe men op aarde in staat is geweest.
Het is precies andersom: voor de religieuze geest is er slechts somberte, moedeloosheid, negativiteit, krachteloosheid, eeuwige heerschappij van ellende en zonde. De religieuze geest speelt slechts met een waandenkbeeld van een leven ná dit leven, of een onzichtbare persoonlijk macht/kracht die hem omgeeft, en zo'n gedachtenspin noemt hij 'hoop'.Voor het religieuze levensgevoel ligt het heden niet vastgeketend aan noodzakelijkheid maar wordt het opengebroken door het mogelijke, door de mogelijkheid van het onmogelijke. (…)
Maar voor de mens die God van zich af heeft geworpen is er daadwerkelijke hoop op een betere menselijke toekomst. Hij geeft zichzelf eraan, zet zich ervoor in.
Bla, bla, bla. Daarnet was het nog iemand die er zin aan geeft. Blijkbaar gelooft de schrijver er zelf ook niet in. Het enige waar hij in gelooft is onzinnigheid, hetgeen ook volkomen gerechtvaardigd is, want onzinnig is zijn denken van top tot teen.Geloof is het geloof dat er iets is waardoor we boven de blinde krachten worden uitgetild, dat er een zin steekt in alle onzinnigheid.
Nietzsche noemde dit 'iets' heel eenvoudig de menselijke wil.
'Iets of iemand', wat doet het er ook toe, als het maar buiten je eigen persoon is, omdat jijzelf tot niets anders in staat bent dan jammeren. Vul het naar gelieven in met waandenken. Het is in alle waandenken geheel om het even wat de inhoud ervan is. Wanneer je in je denken ziek bent, helpen alle zieke denkbeelden die je beletten je ziekte in te zien evenveel. Als 'de geringsten op aarde' maar aan hun trekken komen, daar gaat het om.Dat er iets is – iets als de Kracht in Star Wars, die zoals we zagen een soort transcriptie van het Boeddha-wezen is – of iemand, zoals in de persoonlijke Godsvoorstellingen van de grote monotheïstische religies, iets dat of iemand die ons terzijde staat wanneer het ergste ons overkomt, die anderen terzijde staat, de geringsten onder ons.
Nee, dat is geen religieus geloof, dat kan men volkomen rationeel beredeneren.Geloof is het geloof dat we van sommige dingen kunnen zeggen dat ze verkeerd, dat ze slecht zijn.
Nee, dat is geen religieus geloof, dat is eenvoudig het moeras en de vergezichten in de psyche van de mens.Geloof is de herinnering aan gedane slechtheid, de gevaarlijke herinnering aan leed dat niet is terug te draaien, en de hoop op een toekomst van transformatie (…)