Het is een nogal flink maar zeer interessant epistel, ik heb niet alles overgenomen.
Hierboven de drie m.i. belangrijkste quotes.
Voor veel geschoolde mensen is wetenschap dé producent van waarheid geworden die vaak even kritiekloos gevolgd en geloofd wordt als vroeger de woorden van de pastoor en de dominee.
Vanwege hun gemiddelde, op geen enkel individu als zodanig toepasbaar, karakter zijn deze sekseverschillen nivellerend en stereotyperend. Door de brede popularisering van onderzoek naar sekseverschillen worden het regelrechte stereotypen. Deze stereotypen beïnvloeden individuen in hun waarneming van sekseverschillen; een invloed die het empirische onderzoek naar sekseverschillen met hun vragenlijsten en experimenten op hun beurt weer oppikken. En dan is de cirkel rond. Dit is natuurlijk enigszins gechargeerd, maar het gevaar van een vicieuze cirkel van steeds weer gerecyclede sekse stereotypen lijkt mij verre van denkbeeldig.
Mijn kritiek op de evolutionaire psychologie betekent niet dat evolutionaire biologie niet relevant is of zou kunnen zijn voor sekse en gender onderzoek. Een van de opvallende zwaktes van de evolutionaire psychologie is juist dat ze zich niet verdiept in evolutionair biologisch onderzoek en de uitgebreide theoretische discussies over evolutie, genen, en het brein. Vanwege het speculatieve, oppervlakkige en onkritische karakter van de evolutionaire psychologie draagt zij voornamelijk bij aan de biologisering van sekseverschillen dan aan overtuigend wetenschappelijk onderzoek naar de evolutionaire biologische achtergronden van sekseverschillen.
https://repository.ubn.ru.nl/handle/2066/76829
https://www.google.com/url?sa=t&rct=j&q ... KBwrLsF6Ey
DE EEUWIGE STRIJD TUSSEN DE SEKSEN?
Over de biologisering van de strijd tussen de seksen in de evolutionaire psychologie
...
Al in de eerste eeuwen van de Christelijke jaartelling verbinden kerkvaders als Tertullianus en Augustinus seks en zonde met de vrouw wier vlees, net als dat van Eva in het paradijs, zwak zou zijn en geen verleidingen zou kunnen weerstaan. Dat is een uiterst succesvolle strategie gebleken om de aandacht af te leiden van het eigen, vaak nog veel zwakkere vlees. Ook in onze tijd wordt die strategie nog steeds graag en veel toegepast, bijvoorbeeld wanneer prostituees beschouwd worden als het probleem van de prostitutie en niet hun klanten. In de middeleeuwen kreeg de toen al stevig verankerde Christelijke misogynie een wetenschappelijke onderbouwing met behulp van Aristoteles, dé autoriteit van de middeleeuwse wetenschap. Op basis van Aristoteles’ werk concludeerde Thomas van Aquino dat de vrouw een mislukte man is. De man werd beschouwd als het grondmodel van de mens en vrouwen waren een imperfecte uitvoering van dat grondmodel. (Bock 2002, Laqueur 1992). Deze eensgezindheid van wetenschap en moraal over de zwakheid en verderfelijkheid van de vrouw beïnvloedde natuurlijk in hoge mate de opvattingen over de seksen in geletterde kringen.
....
In de loop van de 19e eeuw verschuiven de termen van het debat opnieuw. Hoewel het schijnbare dilemma van gelijkheid of verschil de gemoederen blijft bezighouden, krijgt onder invloed van het feminisme en het darwinisme het idee van een strijd tussen de seksen steeds meer weerklank. Het zeer populaire sociaal darwinisme van eind 19e en begin 20e eeuw heeft het idee van strijd of competitie in de westerse verbeelding gegrift. Het sociaal darwinisme gaat ervan uit dat de sociale ontwikkeling (evolutie) van een maatschappij voortkomt uit strijd of competitie tussen individuen en groepen. Tegen de achtergrond van een nieuwe politieke beweging, het feminisme, die actie voert voor gelijke rechten voor vrouwen, toen in de eerste plaats stemrecht, is de link snel gelegd: de sociale strijd is ook een strijd tussen de geslachten. Ondanks de bijval van mannelijke feministen – waaronder de Engelse filosoof John Stuart Mill, de meest feministische filosoof die de westerse traditie tot nu toe heeft voortgebracht – worden de eeuwenoude misogynistische oprispingen overgedragen op de strijdbare feministes van het eerste uur. En zo is het gebleven. Feminisme heeft nog steeds overwegend een negatief en op zijn best een ambivalent imago, zonder dat daar enige feitelijke grondslag voor is.
n de loop van de 20e eeuw is de strijd van de seksen onderdeel van de populaire cultuur geworden. Er zijn films, bordspelletjes, clips en computergames met dit thema, en de “Venus en Mars” verhalen worden steeds weer gerecycled in de populaire media. Sinds enige tijd hebben de lichtvoetige verhalen over alledaagse (vermeende) sekseverschillen zoals “waarom vrouwen geen kaart kunnen lezen en mannen de weg niet durven te vragen” echter een serieuze, wetenschappelijke ondertoon gekregen. Verschil en strijd tussen de seksen is al sedert Darwin onderwerp van onderzoek, maar sinds de opkomst van de evolutionaire psychologie, de laatste tien jaar, heeft dit onderzoek zich beduidend uitgebreid en krijgt het veel aandacht in wetenschapstijdschriften zoals het Amerikaanse Science Magazine en in de wetenschapsbijlagen van onze eigen NRC en Volkskrant. In tegenstelling tot zijn voorganger, de sociobiologie die nooit erg serieus genomen is, kan de evolutionaire psychologie zich verheugen in een degelijke wetenschappelijke status.
De populariteit van de evolutionaire psychologie
De wetenschappelijke populariteit van de evolutionaire psychologie maakt deel uit van een hernieuwde belangstelling voor de mogelijk biologische achtergronden van sekseverschillen. Vanaf de jaren zestig tot de jaren negentig in de 20e eeuw zijn sekseverschillen hoofdzakelijk vanuit sociaal constructivistische perspectief benaderd en verklaard. Een sociaal constructivistische benadering zegt in grote lijnen dat alle sekseverschillen, afgezien van het anatomische sekseverschil, het gevolg zijn van seksespecifieke rolpatronen en socialisatie, seksestereotypen, machtsverschillen tussen de seksen en andere politieke en sociaal-culturele factoren. Om duidelijk te maken dat het grootste deel van de sekseverschillen sociaal-cultureel geconstrueerd is, heeft men de term “gender” ingevoerd. Terwijl “sekse” gehandhaafd blijft als verwijzing naar het anatomische geslacht, wordt “gender” ingevoerd om te verwijzen naar de variabele sociaal-culturele constructies van geslacht. In dit perspectief wordt bijvoorbeeld het moederen van vrouwen niet als een sekse maar als een gender eigenschap beschouwd.
De twijfel kan geformuleerd worden in de vorm van de volgende vraag: als vrouwen in de westerse wereld qua scholing en startcondities in de maatschappij al geruime tijd gelijk zijn aan mannen, er qua scholing zelfs in toenemende mate beter voorstaan dan mannen, hoezo zien we dat niet terug in de statistieken van de macht? Waar zijn de vrouwelijke CEO’s, presidenten, premiers, top wetenschappers? Deze legitieme vraag roept twijfel op over de juistheid van het sociaal constructivistische verklaringsmodel. Immers, wanneer de sociale startcondities van beide seksen gelijk geworden zijn, waarom blijft het effect daarvan dan steken?
Niet omdat het maatschappelijke debat massaal ten prooi zal vallen aan de naturalistische drogredenering dat wat van nature is (i.e. verkrachting als evolutionaire adaptatie) ook moet zijn, dat wil zeggen moreel gerechtvaardigd is, zoals tegen- en voorstanders van de evolutionaire psychologie lijken te menen. Niet dit soort doorzichtige rationaliseringen maar de veel dieper gewortelde tendens om zich neer te leggen bij datgene wat van nature gegeven lijkt, is het probleem. Vanuit existentieel perspectief wordt de natuur – hoe contingent haar processen en verschijningsvormen ook zijn – beleefd en geleefd als iets noodzakelijks en onvermijdelijks, een ervaring die de pogingen de natuur te onderwerpen aan onze controle zowel motiveert als frustreert. De natuur wordt ervaren als noodzakelijk en determinerend omdat zij, al onze ingrepen ten spijt, onze overlevingscondities blijft dicteren. Zonder zuurstof, water en voedsel overleven we niet, en de dood kunnen we niet overwinnen. Deze ervaring van wat met een ouderwets woord “natuurnoodzakelijkheid” genoemd zou kunnen worden, vormt de verborgen basis voor de sinds oudsher bestaande tendens zich neer te leggen bij de natuur.
Het seksen verschil in de evolutionaire psychologie
De evolutionaire psychologie beschouwt organismen als het resultaat van natuurlijke selectie, waarbij natuurlijke selectie opgevat wordt als een cumulatief proces van selectie van kenmerken die het reproductieve succes doen toenemen. De bekende darwinistische formule ‘survival of the fittest’ verwijst naar een louter kwantitatieve maat van reproductief succes (van hoeveelheid nakomelingen). Omdat natuurlijke selectie op grote aantallen organismen werkt, zijn de adaptaties – dit zijn de geselecteerde kenmerken die het reproductieve succes vergroten – nooit kenmerken die men bij ieder individu van de betreffende groep aantreft. Het zal altijd gaan om statistische gemiddelden (Badcock 2000: 3-11).
De evolutionaire psychologie deelt het cognitiewetenschappelijke uitgangspunt dat het brein de oorzaak is van gedrag. Om menselijk gedrag te verklaren, moet de structuur, functie en werking van menselijke hersenen onderzocht worden. Gedragswetenschappen kunnen, met andere woorden, herleid worden tot cognitie- en neurowetenschappen. Een ander belangrijk uitgangspunt is de genocentrische interpretatie van evolutie, dat wil zeggen, een opvatting van evolutie waarin de genen centraal staan. Mede om die reden is een genocentrische visie op het brein ook gangbaar in de evolutionaire psychologie. Zo zegt Badcock in zijn Evolutionary psychology: a critical introduction: ”Genes…build bodies and brains, which in their turn can act independently for and on behalf of the genes that built them.” (Badcock 2000: 69).
...
Evolutionair psychologen zijn van mening dat empirisch onderzoek al een groot aantal sekseverschillen aangetoond heeft. Griet Vandermassen noemt onder meer de volgende verschillen: grotere agressiviteit, meer seksuele bezitterigheid en meer losse seksuele contacten bij mannen; weinig risiconemend gedrag (behalve bij het verdedigen van hun kroost) bij vrouwen en een hogere waardering voor status en rijkdom van de mannelijke partner ; grotere sociale gerichtheid van meisjes en grotere objectgerichtheid van jongens; dit sekseverschil komt tot stand onder invloed van het veel hogere prenatale testosteronniveau bij jongetjes dat tot een andere organisatie van de hersenen leidt met typisch cognitieve geslachtsverschillen tot gevolg (Vandermassen 2005: 158).
Enkele belangrijke punten van kritiek
De evolutionaire psychologie is gebaseerd op een interpretatie van evolutie waarin de genen aanwezen worden als enige dragers van het proces. Deze genocentrische visie is enorm populair geworden door het werk van de Britse evolutionair bioloog Richard Dawkins (1976) en de Amerikaanse filosoof Daniel Dennett (1995), maar wordt door veel evolutiebiologen en -filosofen bekritiseerd. De genen zijn slechts één van een hele reeks van causale factoren die op een zeer complexe manier interacteren in de productie van organismen (Dupré 2001:30; Oyama e.a. 2001).
Om de werkelijkheid niet teveel geweld aan te doen, zou men eigenlijk moeten zeggen dat evolutie selecteert op genen én hun omgeving.
Verder steunt de evolutionaire psychologie zwaar op het standaard paradigma van de cognitiewetenschap volgens welke het brein gedrag veroorzaakt. Dit paradigma is steeds meer aan kritiek onderhevig. Een van de belangrijkste kritiekpunten betreft het feit dat de gevestigde cognitiewetenschap geen rekening houdt met het feit dat cognitie altijd embodied en embedded is, dat wil zeggen, belichaamd en ingebed in sociale praktijken. De standaard benadering is een erfgenaam van de Cartesiaanse traditie van het lichaam-geest dualisme. De splitsing van lichaam en geest heeft de basis gelegd voor het hardnekkige drogbeeld van een “vrijzwevend” lichaamloos brein. Natuurlijk is het brein een bepalende factor als het om menselijk gedrag gaat maar het is nooit de enige en zelden een direct bepalende causale factor. Het menselijke brein biedt een potentieel dat op oneindig veel verschillende manieren – afhankelijk van omgevingsfactoren, lichamelijke kenmerken en geschiedenis – door individuen gerealiseerd wordt.
Aansluitend bij de cognitiewetenschappelijke standaard benadering focust de evolutionaire psychologie op het brein als oorzaak van gedrag. Deze benadering is niet alleen reductief vanwege haar verwaarlozing van het inherent belichaamde, interactieve en sociale karakter van gedrag. Ze herleidt gedrag ook tot oorzaak-gevolg relaties. Een causale benadering mist een zeer belangrijke dimensie van gedrag, namelijk betekenis. Betekenis is een constitutieve factor van de meeste handelingen.
...
De betekenis van een handeling of taaluiting kan niet afgeleid worden uit de geïsoleerde taaluiting of handeling zelf, en evenmin uit de mentale, fysiologische, evolutionaire en andere oorzaken van die uiting of handeling, want betekenis is altijd situationeel en intersubjectief.
...
De betekenisvolle sociale dimensie van gedrag impliceert ook dat de betekenis en het effect van individuele handelingen, strikt genomen, altijd variabel en nooit met zekerheid te voorspellen zijn.
De reductie van gedrag tot oorzaak-gevolg relaties heeft tot gevolg dat de individuele variaties en de creatieve onvoorspelbaarheid van het spreken en handelen volkomen uit het zicht verdwijnen.
Tot slot zijn er fundamentele methodologische problemen. De evolutionaire psychologie wordt weliswaar beschouwd als een verbeterde versie van zijn voorganger, de sociobiologie, vanwege de sterk verbeterde empirische onderbouwing van de theorie maar die empirische onderbouwing roept veel vragen op. Een eerste, principiële vraag is of het überhaupt mogelijk is om vast te stellen dat een bepaald gedragspatroon een evolutionaire adaptatie is en niet, bijvoorbeeld, een culturele verworvenheid die langdurig geïmiteerd en van generatie op generatie doorgegeven is. Doorslaggevend bewijs voor een evolutionaire adaptatie vergt immers een nauwkeurige reconstructie van de evolutionaire geschiedenis, dus van selectiecondities, gedragspatronen, leefwijzen enzovoorts, van EEA populaties en hun opvolgers. De gedetailleerde kennis die nodig is om de selectiecondities in kaart te brengen en toetsbare hypothesen op te stellen over reproductieve kosten en baten ontbreekt echter volledig. Hoewel het natuurlijk nooit uitgesloten is dat wetenschappers in de (verre) toekomst beter in staat zullen zijn de evolutionaire condities te reconstrueren, geldt voor nu en de nabije toekomst in ieder geval dat evolutionaire psychologische claims met betrekking tot evolutionaire adaptaties simpelweg speculatief zijn. Als filosoof heb ik op zichzelf niets tegen speculatieve ideeën, maar speculatie moet niet als harde wetenschap en als empirisch onderbouwde kennis verkocht worden.
Een ander methodologisch probleem betreft de dubieuze wetenschappelijke praktijk – die overigens wijd verbreid lijkt in de empirische psychologie – van het bewijzen van hypothesen. Het falsificatieprincipe van de wetenschapsfilosoof Karl Popper mag misschien achterhaald zijn, dat neemt niet weg dat zijn beroemde kritiek op het verificatieprincipe – het bewijzen van hypothesen of theorieën – nog steeds zeer steekhoudend is. In Conjectures and refutations stelt Popper vast dat de klinische observaties waarop de psychoanalytische theorie zich beroept alleen bewijzen dat er veel observaties zijn die geïnterpreteerd kunnen worden in het licht van die theorie (Popper 2002: 46). Hetzelfde geldt voor de sekseverschillen die uit empirisch onderzoek rollen. Die resultaten bewijzen de hypothesen van de evolutionaire psychologie geenszins en kunnen dat ook niet. Het enige dat aangetoond kan worden, is dat ze goed passen in het referentiekader van de evolutionaire psychologie. De zwakte van het verificatieprincipe is dat resultaten van empirisch onderzoek op veel verschillende manieren geïnterpreteerd kunnen worden, en dus ook gebruikt kunnen worden als onderbouwing van heel verschillende en zelfs tegenstrijdige hypothesen.
Het laatste methodologische probleem waar ik de aandacht op wil vestigen betreft een euvel waaraan alle kwantitatieve psychologische onderzoek naar sekseverschillen lijdt: het construeert in belangrijke mate het sekseverschil dat vervolgens gepresenteerd wordt als “in natura” aangetroffen. Het resultaat van dit soort onderzoek bestaat uit statistische gemiddelden. Deze gemiddelden geven aan hoe groot de kans is dat, bijvoorbeeld, mannen seksueel jaloers gedrag vertonen. Met betrekking tot concrete individuen betekent dit dat sommigen dat gedrag zullen vertonen, anderen niet, en dat er over het geheel genomen veel variatie is tussen individuen. Deze gemiddelden zijn, met andere woorden, groepsgemiddelden die niets zeggen over de grote variatie tussen individuen (m/v). Psychologische onderzoekers, inclusief evolutionair psychologen, onderkennen over het algemeen dat individuele variatie veel sterker is dan groepsverschillen tussen de seksen, maar dit inzicht lijkt nooit te leiden tot de kritische vraag “wat meten we eigenlijk?” Door de enorme bandbreedte en variëteit van de individuele (m/v) verschillen simpelweg te negeren en steeds maar weer gemiddelde sekseverschillen te presenteren, levert de empirische psychologie een belangrijke bijdrage aan de constructie van die verschillen.
Vanwege hun gemiddelde, op geen enkel individu als zodanig toepasbaar, karakter zijn deze sekseverschillen nivellerend en stereotyperend. Door de brede popularisering van onderzoek naar sekseverschillen worden het regelrechte stereotypen. Deze stereotypen beïnvloeden individuen in hun waarneming van sekseverschillen; een invloed die het empirische onderzoek naar sekseverschillen met hun vragenlijsten en experimenten op hun beurt weer oppikken. En dan is de cirkel rond. Dit is natuurlijk enigszins gechargeerd, maar het gevaar van een vicieuze cirkel van steeds weer gerecyclede sekse stereotypen lijkt mij verre van denkbeeldig.
Tot besluit
Mijn kritiek op de evolutionaire psychologie betekent niet dat evolutionaire biologie niet relevant is of zou kunnen zijn voor sekse en gender onderzoek. Een van de opvallende zwaktes van de evolutionaire psychologie is juist dat ze zich niet verdiept in evolutionair biologisch onderzoek en de uitgebreide theoretische discussies over evolutie, genen, en het brein. Vanwege het speculatieve, oppervlakkige en onkritische karakter van de evolutionaire psychologie draagt zij voornamelijk bij aan de biologisering van sekseverschillen dan aan overtuigend wetenschappelijk onderzoek naar de evolutionaire biologische achtergronden van sekseverschillen.