In het dorp van mijn opa en oma (die van moeders kant) hadden de boeren (opa was aannemer) twee verschillende geitenfokverenigingen. Dat op zich al vond ik toen, kritisch bevragend etterbakje dat ik was, een moeilijke en ingewikkelde woordcombinatie en al helemaal omdat het respectievelijk een ‘rooms katholieke geitenfokvereniging’ was naast of tegenover een ‘christelijke geitenfokvereniging’. Hoe horen die woorden nu bij elkaar?
En dus had ik weer een massa vragen voor mijn o zo geduldige opa:
1. Waren in het ene geval de geiten rooms katholiek en in het andere geval christelijk? Geiten worden toch niet gedoopt! Waaraan kun je trouwens zien of een geit rooms katholiek of christelijk is?
2. Sloeg dat rooms katholiek en christelijk soms op het fokken en zo ja, wat was dan het verschil?
3. Waren de bokken, die voor het fokken toch nodig zijn, ook van het passend geloof, dus rooms katholiek bij de rooms katholieke geiten en christelijk bij de christelijke geiten?
4. Wat gebeurde er als een rooms katholieke bok het met een christelijke geit deed (en andersom natuurlijk)? Wat waren de jonge geitjes dan? Of kreeg die geit dan een miskraam?
5. Waarom noemen ze dat 'verenigingen' als ze 'apart' zijn?
6. En… rooms katholiek is toch óók christelijk! Wat zullen we nou krijgen?
7. Is er ook rooms katholieke en christelijke geitenmelk? Smaken die anders of hetzelfde?
Wat ik me vooral nog herinner is dat opa zich weer kostelijk leek te amuseren met het eeuwige gevraag van zijn kleinzoon maar van zijn antwoorden had ik de indruk dat hij zich er een beetje met een Jantje-van-Leiden vanaf maakte. Ik geloof dat het volgens hem vooral in hoofden van de geitenboeren zat en dat de rest flauwe kul was. En daar heb ik toen maar genoegen mee genomen.
En dan denk ik weer aan de begin- en eindzin van het boek van Felix Timmermans (over het leven van Francisus van Assisië meen ik): ‘De geit keek alsof het niet bij haar was dat er gemolken wier’.
Als zelfs dát die geit niks lijkt te interesseren... Nou ja… ik bedoel maar...
Groeten.
Fons.
Een theoloog die naar exactheid streeft, heeft de eerste stap gezet naar het atheïsme. Een atheïst is geen naïeveling, maar iemand die god nauwkeurig 'kent', voor wie dus veel zo niet alle godsvoorstellingen hun betekenis hebben verloren.