Geplaatst: 04 jan 2008 18:41
Beste HoE,
Wanneer je stelt (namens IDH) dat evolutie niet voldoende is voor het complexe eindresultaat, verleg je wederom de focus van de discussie naar een uitspraak over evolutie ipv naar een uitspraak over ID. Mijn vermoeden is dat IDH falsifieerbare premissen herbergt die de ID-proponent liever niet wil ontkennen en dat die premissen falsifieerbaar zijn zonder gebruikmaking van verficatie van de evolutietheorie als geheel. Ook al was evolutietheorie als geheel onwaar dan nog (zo is mijn vermoeden) kan aangetoond worden dat IDH niet waar kan zijn. Mijn strategie is om die falsifieerbare premissen van IDH aan het licht te brengen. Jouw aanpak kan ook maar blijft in de discussie het belangrijke nadeel houden dat de focus bij uitspraken over evolutie blijft.
Wanneer je (wederom namens IDH) stelt dat een zo complex geheel als het aardse leven noodzakelijk ontworpen is ( = premisse X) , ontdoe je de stellingen van IDH van alle referenties naar evolutie en zal de IDH-proponent mijns inziens gedwongen worden uitspraken te doen over IDH zelf. Er is dan een beperkt aantal logische mogelijkheden over:
1. X is waar en niet-X is onwaar terwijl X een noodzakelijk onderdeel is van de IDH-premissen
2. X is onwaar en niet-X is waar terwijl niet-X een noodzakelijk onderdeel is van IDH-premissen
NB: alle overige combinatiemogelijkheden leveren logische tegenspraken op of impliceren weerlegging van een IDH-premisse
Zowel voor 1 als voor 2 geldt dat met één tegenvoorbeeld een noodzakelijke premisse van IDH weerlegt kan worden
Ook al postuleert IDH niet zelf een premisse X het kan wel nuttig zijn in de discussie om over X een uitspraak te vragen van de IDH-proponent wanneer X heel dicht aan ligt tegen het gedachtegoed dat de IDH-proponent etaleert. Ook een premisse als “God heeft de Big Bang ge-finetuned” kan in een discussie worden ontrafeld naar de basispremissen van IDH die ik schets (God had kennelijk en nooddzakelijk een vooropgezet plan met de schepping).
Itt wat je aangeeft gebruik ik niet in de bewijsvoering de uitspraak dat evolutietheorie waar is. Ik zou de evolutietheorie ook (vereenvoudigd) kunnen schematiseren als het volgende syllogisme:
A. Natuurlijke selectie zoals beschreven in de evolutietheorie is aangetoond in de natuur
B. Genetische mutatie zoals beschreven in de evolutietheorie is aangetoond in de natuur
C. Erfelijke overdracht zoals beschreven in de evolutietheorie is aangetoond in de natuur
D. A, B en C zijn samen noodzakelijk en voldoende verklarend voor het ontstaan van de soortenrijkdom van aards leven
Met als conclusie uit A, B, C en D dat evolutietheorie een noodzakelijke en voldoende verklaring biedt voor de diversiteit van soorten.
Hierin zit de moeilijkheid niet in A, B of C maar vooral in D waarvoor één tegenvoorbeeld volstaat. In mijn falsificatie van ID gebruik ik D niet!
Je geeft verder een aantal nuttige suggesties die ik zal proberen in te passen in de falsificatie van ID. Met name speel ik met de gedachte om als basispremisse van IDH toe te voegen dat een ontwerp noodzakelijk complexer is dan datgene wat ermee gerealiseerd wordt.
Wanneer je stelt (namens IDH) dat evolutie niet voldoende is voor het complexe eindresultaat, verleg je wederom de focus van de discussie naar een uitspraak over evolutie ipv naar een uitspraak over ID. Mijn vermoeden is dat IDH falsifieerbare premissen herbergt die de ID-proponent liever niet wil ontkennen en dat die premissen falsifieerbaar zijn zonder gebruikmaking van verficatie van de evolutietheorie als geheel. Ook al was evolutietheorie als geheel onwaar dan nog (zo is mijn vermoeden) kan aangetoond worden dat IDH niet waar kan zijn. Mijn strategie is om die falsifieerbare premissen van IDH aan het licht te brengen. Jouw aanpak kan ook maar blijft in de discussie het belangrijke nadeel houden dat de focus bij uitspraken over evolutie blijft.
Wanneer je (wederom namens IDH) stelt dat een zo complex geheel als het aardse leven noodzakelijk ontworpen is ( = premisse X) , ontdoe je de stellingen van IDH van alle referenties naar evolutie en zal de IDH-proponent mijns inziens gedwongen worden uitspraken te doen over IDH zelf. Er is dan een beperkt aantal logische mogelijkheden over:
1. X is waar en niet-X is onwaar terwijl X een noodzakelijk onderdeel is van de IDH-premissen
2. X is onwaar en niet-X is waar terwijl niet-X een noodzakelijk onderdeel is van IDH-premissen
NB: alle overige combinatiemogelijkheden leveren logische tegenspraken op of impliceren weerlegging van een IDH-premisse
Zowel voor 1 als voor 2 geldt dat met één tegenvoorbeeld een noodzakelijke premisse van IDH weerlegt kan worden
Ook al postuleert IDH niet zelf een premisse X het kan wel nuttig zijn in de discussie om over X een uitspraak te vragen van de IDH-proponent wanneer X heel dicht aan ligt tegen het gedachtegoed dat de IDH-proponent etaleert. Ook een premisse als “God heeft de Big Bang ge-finetuned” kan in een discussie worden ontrafeld naar de basispremissen van IDH die ik schets (God had kennelijk en nooddzakelijk een vooropgezet plan met de schepping).
Itt wat je aangeeft gebruik ik niet in de bewijsvoering de uitspraak dat evolutietheorie waar is. Ik zou de evolutietheorie ook (vereenvoudigd) kunnen schematiseren als het volgende syllogisme:
A. Natuurlijke selectie zoals beschreven in de evolutietheorie is aangetoond in de natuur
B. Genetische mutatie zoals beschreven in de evolutietheorie is aangetoond in de natuur
C. Erfelijke overdracht zoals beschreven in de evolutietheorie is aangetoond in de natuur
D. A, B en C zijn samen noodzakelijk en voldoende verklarend voor het ontstaan van de soortenrijkdom van aards leven
Met als conclusie uit A, B, C en D dat evolutietheorie een noodzakelijke en voldoende verklaring biedt voor de diversiteit van soorten.
Hierin zit de moeilijkheid niet in A, B of C maar vooral in D waarvoor één tegenvoorbeeld volstaat. In mijn falsificatie van ID gebruik ik D niet!
Je geeft verder een aantal nuttige suggesties die ik zal proberen in te passen in de falsificatie van ID. Met name speel ik met de gedachte om als basispremisse van IDH toe te voegen dat een ontwerp noodzakelijk complexer is dan datgene wat ermee gerealiseerd wordt.