Interessant leesvoer, vind ik.
Mijn selectieve waarneming vond natuurlijk met name het volgende stukje razend interessant.
Strikt genomen kan men echter slechts zeggen dat personen denken of andere mentale functies uitvoeren en dat het brein daarbij een voorwaardelijke of mediërende of organiserende rol speelt.
Neurobiologie bewustzijn en mentale processen.
Ik had het voor m'n vakantie opgeslagen en weet niet meer waarvandaan, maar geloof dat het ik t bij de VU gevonden had.
Neurobiologie bewustzijn en mentale processen. (24 pag.)
https://research.vu.nl/en/publications/ ... -processen
https://www.researchgate.net/publicatio ... _processen
[Gepubliceerd als: G. Glas & J.A. den Boer (2011). Neurobiologie, bewustzijn en mentale processen. In: J.A.M Vandermeulen, J. A den Boer, M.M.A. Derix. Onderzoek naar bewustzijn. Neurofilosofie, neurobiologie, neuropsychologie. Amsterdam: BOOM, 127-160]
..
...
Een gangbaar begrippenpaar als het over het bewustzijn gaat, is het onderscheid tussen het eerste en het derde persoonsperspectief. Het derde persoonsperspectief is het perspectief van de buitenstaander, de objectieve waarnemer. Het eerste persoonsperspectief is het perspectief van de insider, van degene die zelf ervaart wat er te ervaren valt. Het eerste persoonsperspectief is onoverdraagbaar: men kan een ander niet exact hetzelfde laten ervaren als men zelf ervaart. Het derde persoonsperspectief is wel overdraagbaar en daardoor ook uitwisselbaar. Wat de ene objectieve waarnemer opmerkt kan precies zo worden waargenomen door een andere objectieve waarnemer. De filosoof Thomas Nagel noemt dit de ‘view from nowhere’: objectieve kennis is kennis waarbij het standpunt van waaruit men kent er niet langer toe doet; het is kennis zonder standpunt.
Filosofisch is er kritiek mogelijk op de scherpe scheiding tussen het eerste en derde persoonsperspectief. Beide zijn abstracties. We treffen het binnenperspectief, onze ervaringen, nooit los aan, los van de materiële context en los van een lichaam. Gedachten en gevoelens zijn ingebed in allerlei gedragingen en handelingen en die zijn zichtbaar voor anderen. Ook het buitenperspectief in zuivere vorm is een asymptoot, een onbereikbaar grensgeval. Hoe objectief men ook probeert te zijn, methoden en hypotheses representeren een bepaald perspectief; het zijn pogingen om antwoord te geven op een bepaalde vraag. En die vraag heeft een geschiedenis en een context en vraagt om een bepaalde aanpak. Over wat de beste aanpak is bestaat vaak verschil van mening.
...
Wanneer kunnen we vanuit een derde persoonsperspectief zeggen dat iemand bewustzijn heeft? Damasio & Meyer (2009) noemen vier criteria: (1) wakker zijn; (2) het bestaan van achtergrond emoties; (3) het vermogen de aandacht ergens op te richten; en (4) doelgericht gedrag. Allereerst (ad 1) moet iemand wakker zijn. De ogen moeten zijn geopend of op verzoek worden geopend. Uit de spiertonus blijkt verzet tegen de zwaartekracht. En er is een EEG dat karakteristiek is voor de wakende toestand. Vervolgens (ad 2) dienen er achtergrond emoties te zijn. Hier wordt niet gedoeld op primaire emoties zoals angst, woede of walging of op secundaire, reflexieve emoties zoals schaamte en schuld. Het gaat om het gevoel of de stemming op de achtergrond. Het gaat er niet om dat deze achtergrondemoties worden gevoeld, maar dat ze aan de buitenkant te zien zijn, in de houding, in de motoriek, de gelaatsexpressie en in de timing van gedragingen. De achtergrond emoties ‘verraden’ hoe betrokkene zich tot de omgeving verhoudt. Vervolgens (ad 3) moet er sprake zijn van aandacht die gedurende enige tijd kan worden volgehouden. Uit de oogbewegingen en houding van het hoofd, de armen en de torso blijkt of iemand het vermogen heeft te letten op bepaalde signalen. En ten slotte (ad 4) moet er sprake zijn van doelgericht gedrag: gedragingen waaruit blijkt dat er sprake is van een plan en van afstemming tussen achtergrondemoties en bepaalde doelen. Hoe doet het bewustzijn zich voor vanuit een eerste persoonsperspectief? Damasio & Meyer (2009) maken hier een onderscheid tussen kern-bewustzijn (‘core consciousness’) en uitgebreid bewustzijn (‘extended consciousness’). Het kern-bewustzijn is de resultante van objectwaarneming en zelfwaarneming ten tijde van de objectwaarneming. .....
...
In het volgende hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de anatomie en topologie. Hier beperken we ons tot de vaststelling dat er globaal drie netwerken van belang lijken te zijn voor het bewustzijn (zie Edelman & Tononi 2000, p. 42 e.v.). ....
Veel onderzoek maakt gebruikt van biochemische bepalingen in bloed en hersenvocht. Het uitgangspunt hierbij is dat veranderingen in bijvoorbeeld de concentratie van neurotransmitters in bloed en hersenvocht een afspiegeling vormen van processen in de hersenen.
Meting van de electrische activeit van de hersenen is al vele decennia mogelijk: het EEG (electro encefalogram). De laatste twintig jaar zijn beeldvormende (neuroimaging) technieken sterk in opkomst: positronemissietomografie (PET), functionele magnetische kernspinresonantie (fMRI), Single Positron Computerized Tomography (SPECT) en Magnetische Resonantie spectroscopie (MRS). Middels dit type onderzoek kan in vivo een indruk worden verkregen van het functioneren van de hersenen. Activeringspatronen in verschillende hersengebieden kunnen zo gecorreleerd worden met emoties (zoals angst), cognitieve functies (aandacht en geheugen) en bewustzijn.
Er is ten slotte veel (met name dierexperimenteel) onderzoek gedaan naar neurale correlaten van bewustzijn met behulp van single cell registration. Hierbij wordt elektrische activiteit in de hersenen afgeleid tijdens een (bewuste) cognitieve taak. Ook met beeldvormende technieken zoals PET en fMRI en MEG (magneto-encofalografie) is onderzoek gedaan naar de neurale correlaten van bewustzijn.
...
Er zijn allerlei kritische vragen te stellen bij dit causaal reductionisme. Ik noem er enkele. Kan de claim dat mentale verschijnselen reduceerbaar zijn worden waargemaakt zonder onacceptabel betekenisverlies? Als voorbeelden van wat niet reduceerbaar is worden vaak genoemd: het eerste persoonsperspectief, qualia en intentionaliteit. Het eerste persoonsperspectief betreft zoals we zagen de gedachte dat alleen ik de wereld om mij heen zo ervaar als ik hem ervaar. Van het subjectieve, ‘van-mij’ karakter van ervaringen zeggen tegenstanders van het causale reductionisme dat het nooit te herleiden zal zijn tot objectieve, derde persoonskennis. Het concept qualia slaat op de kwaliteit van ervaringen en duidt op het feit dat bepaalde ervaringen (zoals de ervaring van kleur) een onuitsprekelijk en onmiddellijk karakter hebben. Dit argument loopt parallel aan het vorige: de onuitsprekelijke en onmiddellijke kwaliteit van bepaalde ervaringen zou nooit te herleiden zijn tot wat voor vorm van derde persoonskennis. Het derde punt, intentionaliteit, heeft betrekking op het feit dat handelingen een doel hebben. Mentale activiteiten hebben een intrinsiek doel of object. Als ik mijn hand uitstrek naar de deur van de koelkast is dat om bijvoorbeeld een pak frisdrank te pakken. De handeling heeft een betekenis (intentie), maar die betekenis valt niet af te leiden uit de analyse van de materiële aspecten van die handeling. De optelsom van spierbewegingen levert nog geen intenties op. De filosoof Ludwig Wittgenstein merkte in dit verband al eens snedig op dat het hele probleem van lichaam en geest samengebald ligt in de vraag naar het verschil tussen ‘raising my arm’ en ‘the rising of my arm’. Eenzelfde redenering kan worden toegepast op de relatie tussen mentale processen en hersenprocessen: de optelsom van hersenprocessen levert nog geen begrip op van de ‘betekenis’, de intentionaliteit, van mentale processen.
...
Een volgende punt van kritiek op het causaal reductionisme betreft de zogenaamde ‘mereologische drogreden’ (Bennett & Hacker 2003). Deze drogreden berust op de subtiele antropomorfisering in het spreken over hersenprocessen. Vaak worden aan de hersenen of delen daarvan namelijk rollen toegekend die volgens de gangbare grammatica alleen kunnen worden toegekend aan personen. De mereologische drogreden houdt in dat aan het deel (‘meros’ is het Griekse woord voor deel) eigenschappen worden toegeschreven die slechts betrekking kunnen hebben op het geheel. Dan wordt bijvoorbeeld gezegd dat de hersenen kunnen voelen, of denken, of zich herinneren; of dat het geheugen of de planning wordt uitgevoerd door een bepaald deel van het brein. Strikt genomen kan men echter slechts zeggen dat personen denken of andere mentale functies uitvoeren en dat het brein daarbij een voorwaardelijke of mediërende of organiserende rol speelt.
....
Er zijn minstens twee vormen van dit monisme (een reductionistische en een niet-reductionistische variant). Aan dit onderscheid kunnen we hier echter voorbij gaan, omdat beide varianten mank gaan aan hetzelfde euvel, te weten een onoplosbare paradox tussen het monistische uitgangspunt en een methodologie met dualistische implicaties. Stel dat men op zoek is naar neuronale correlaten van subjectief beleefde angst. Dan is men op zoek naar correlaties tussen processen in de hersenen en iets anders, namelijk subjectief beleefde angst. Monisten (materialisten) zeggen echter dat subjectief beleefde angst hetzelfde is als een bepaald proces in de hersenen. Hoe kan men nu zoeken naar een correlaat van iets dat identiek is met zichzelf? Kortom, het paradigma van neurowetenschappelijk onderzoek is vaak monistisch en materialistisch: gedachten en emoties zijn in feite hersenprocessen. Maar de methodologie van dit onderzoek lijkt te veronderstellen dat mentale functies en processen los verkrijgbaar zijn. Dat is tegenstrijdig (breder hierover: den Boer 2003; zie ook Glas 2002; 2003).
De tweede manoeuvre is wat subtieler. Onderzoekers van dit type lijken zich te realiseren dat het probleem ontstaat door het ontologiseren van correlatieve verbanden (het onterecht verzelfstandigen en los van elkaar zien van de ‘correlata’). Daarom wordt de claim van de correlatieve methodologie beperkt tot die van het vinden van correlaties tussen eigenschappen van mentale en biologische processen. Toch is het de vraag of dit wat oplost. Kennis van correlaties levert immers nauwelijks inzicht op in het hoe en waarom van mentale verschijnselen. Het gaat er om dat er hypothesen en theorieën worden ontwikkeld over hoe de samenhang tussen processen in de hersenen en gedrag tot stand komt. ..
P.S.
Er worden nogal wat dieren mishandeld ten bate van onderzoeken, best wel gruwelijk als je dit leest. Helemaal die aapjes. Maken we ons druk om wat we eten..
