Het volgende voorbeeld van "woordspelletje spelen" kom ik tegen op een video van
the Atheist Experience, de goudmijn van drogredeneringen. De drogredeneringen vliegen ons weer om de oren. De atheïst Dillahunty wordt opgebeld door een man met de naam Rao:
-Ik heb ongeveer drie maanden aan mijn argumentering gewerkt! Ik heb het nu uitgewerkt en ben nog enkel drie woorden af van jou schaakmat te zetten!
Ik kan aantonen dat je een godheid aanbidt, geheel ongeacht je er in gelooft of niet! En...
-Hou maar op, dat is helemaal niet mogelijk. Omdat aanbidding (worship) een daad van de wil is. Met andere woorden het is onmogelijk dat men aanbidt zonder er bewust van te zijn.
De arme Rao negeert wat tegen hem gezegd wordt (tsja, drie maanden gewerkt aan zijn argument...) en vervolgt:
-Wel, men zou zijn eigen persoonlijke deugden kunnen aanbidden.
-Ok, mogelijkerwijs, indien men "aanbidding" metaforisch opvat. Je wilt dus blijkbaar zeggen: O jij houdt zoveel van je deugden dat ik het aanbidding noem, en iemand die aanbidt gelooft in een god.
Indien je met deze redenatie komt is zo ongeveer iedere stap in je doet krom, behalve dat ik inderdaad mijn eigen waarden hooghoud.
-Nou het is meer dan enkel waarden hooghouden. Jij hebt al zo'n 25 jaar van je leven volkomen gegeven aan het uitdragen van je waarden. Je hele leven staat in het teken ervan.
-Geheel met je eens, maar het heeft niets te maken met aanbidding, noch met een god.
Heb je nu al twee van de drie woorden gebruikt die me schaakmat zetten?
Wat is jouw definitie van "aanbidding"?
-Aanbidding is "toewijding aan je waarden, je manier van leven".
-Ok, niets op tegen. Maar wat je zegt is dan een vanzelfsprekendheid. Er wordt mij gezegd dat ik mijn waarden hoog houd.
-Ja, maar sterker dan dat: je vergoddelijkt ze.
-Nee natuurlijk niet. Mijn waarden zijn geen god.
Het spijt me om je nu in de rede te vallen, maar dit is een woordspelletje dat vele mensen spelen. Ik wil je er op wijzen dat semantiek, oftewel de betekenis van woorden en hoe ze gebruikt worden, heel belangrijk is. Wat je nu doet is een spelletje spelen.
Mijn positie is dat ik niet in enige god geloof. Als jouw argument is dat ik iets heel belangrijk vind, zodat jij kan beweren dat het zo belangrijk is dat men het aanbidding kan noemen, en ik bijgevolg in een god geloof, dan doe je niets anders dan een woordspelletje spelen. Wat ik doe is
geen aanbidding,
noch geloven in een god.
Rao luistert nog steeds niet. Zoals de bekende kras op de grammofoonplaat begint hij weer van voren af aan:
-Wel, je hebt je waarden vergoddelijkt tot een godheid die ooit bestond (Athene).
-Zelfs indien dat waar zou zijn heeft het geen enkele betekenis. Ik houd waarden hoog die Erik naast mij ook hooghoudt. Betekent dat dat ik Erik aanbidt?
-Nee, omdat Erik geen vergoddelijking is van die deugden.
-Maar het maakt helemaal niet uit of iets volkomen vergoddelijkt is. Ik aanbid het niet.
-Inderdaad werkt het niet altijd, maar wel in jouw geval. Want je toewijding aan je waarden is volkomen, het is onverbiddelijk..
(Zucht, doet me aan iemand anders denken, maar mijn toewijding stopt hier. Ik ga mijn honden oftewel goden uitlaten.)