Hypatia schreef:Wat was jouw ‘opbrengst’ na ’95?
1) dat je tot op het dieptepunt van je leven moet komen om veel dingen te kunnen begrijpen.
2) dat ik alles in het leven geheel op eigen kracht moet doen.
3) dat ik ontzaglijk veel meer kracht heb dan ik ooit voor mogelijk had gehouden.
4) dat niets mijn innerlijk kapot maakt.
5) dat ik nergens meer bang voor ben, het allerminst voor de dood.
6) dat alles mij lukt waaraan ik begin.
7) dat ik mezelf of anderen nooit meer zondig noem.
8 ) dat ik het leven lief heb.
9) dat ik uitgroei tot een schepper.
Freefighter schreef:Rereformed schreef:dat ik uitgroei tot een schepper
Van wat dan wel?

Gedeelte uit mijn autobiografie
Dansen op vuur en ijs:
In de loop van september begon de cursus kontrapunt, die eigenlijk de vorige lente al afgerond had moeten worden, op z’n eind te lopen. Er restte nog slechts één opgave: een tweestemmige ‘Inventie’ in de stijl van Bach ‘schrijven’.
Op 12 september 1995 stond ik voor het volgende dilemma. Drie jaar lang had ik niets meer kunnen componeren. Ik was op het punt aangekomen dat ik zo langzaamaan eraan vertrouwd was geraakt dat de fase van het componeren in mijn leven voorbij was. Ik had me erbij neergelegd, hoewel het me steeds pijn deed. Ik kon het niet meer, ik wilde het niet meer. Het is voorbij. Zo gaat het nu eenmaal in het leven. Je moet je schikken naar het leven, je aanpassen aan nieuwe situaties en er niet in dwaze opstand tegenin gaan.
Maar nu stond ik voor deze verplichte opgave. Ik kon nu dus niet zeggen dat ik het niet meer doe. Het moest gewoon. Maar hoe krijg ik daar de kracht voor? Het lukt me nooit.
Ik zat aan de piano, nam loom en met tegenzin wat muziekpapier en begon maar wat noten te schrijven. En ik ging er mee door tot de twee bladzijden vol stonden met noten. Het was niet moeilijk. Er ontstond meteen een muziekstukje, en heel mooi volgens alle regels. Kan het waar zijn: ik voel zowaar plezier in m’n hart. Wat was het toch leuk als je iets schept en er daarna naar kunt kijken en constateren dat het goed is. In feite is dat het allermooiste wat er maar bestaat, want zelfs God had behoefte om te scheppen en er later een hele dag met een voldaan gevoel naar te kijken.
De volgende dag zat ik weer aan de piano. Ik nam weer muziekpapier. Besloot weer een tweestemmige ‘Inventie’ te componeren. Ik voelde een totale onmacht. Ik bedacht na lange tijd van alle mogelijke thema’s het allereenvoudigste: in a kleine terts een toonladder in de omvang van een sekst omhoog, en dan vanaf de kwint een drieklank terug naar het beginpunt. En als tegenstem vond ik zowaar drie noten. Dat begin leek niets, maar ik kon er toch best op verder gaan. Je moet in het leven niet te veel hooi op je vork nemen. Na een tijdje merkte ik op dat het geen stukje in de stijl van Bach werd maar een stukje in de stijl van Scarlatti. Daar keek ik helemaal niet van op. Integendeel, ik bedacht me meteen dat ik in de eenzaamheid van Rautavaara 300 of 400 ‘sonates’ van Scarlatti heb gespeeld. Scarlatti is mijn beste vriend hier. Hij haalt me altijd weg uit de koude sneeuwtroep om me heen en brengt me naar het zonnige Portugal en Spanje. Hij beurt me altijd wat op. Hij weet te genieten van het leven. Hij heeft levensplezier, nooit aflatende kinderlijke energie. Maar ook af en toe die onverwachte melancholie, die ik ook zo goed ken. Wellicht was hij verliefd op de jonge prinses die hij zijn halve leven les moest geven en die natuurlijk onbereikbaar was. Bovendien was hij net zoals ik altijd een buitenlander.
Ik begon er zin in te krijgen. Weer komt het thema, de tegenstem, een variant, nu alles omdraaien, de inversie, dan het thema in de gekste toonaarden laten verschijnen, zoals Scarlatti dat zo mooi deed, en dan even op z’n spaans die ene traan laten vallen. Precies zo deed hij het ook. Kijk, daar kijkt hij weer over m’n schouder. Voor het eerst sinds onheuglijke tijd voelde ik me opperbest. Ik genoot van de muziek die ontstond. Alles stond in het teken van dolce, tederheid, en ik voelde sterk dat dit stukje niets meer te maken had met een kontrapuntopgave, maar een volmaakte uitdrukking werd van zowel mijn kunnen als mijn gevoeligheid. Boven het eerste gedeelte zette ik het woord ‘Pastorale’.
Toen de middag ten einde liep werd ik uit mijn volstrekte eenzaamheid opgeschrikt door een telefoontje. Voor één keer stond ik m'n vrouw eens opgewekt aan het woord. ‘Stel je voor, ik kan nog componeren! Je raadt niet half hoeveel dit voor mij betekent. En het is niet zomaar wat. Nee, het wordt echt iets bijzonders. Ik voel het. Ik weet het.’
Na het telefoongesprek speelde ik het nog eens door. Ik was tot op de helft gekomen, dwz. twee bladzijden muziek. De sonates van Scarlatti bestaan altijd uit deel één en deel twee, beide delen worden herhaald, en meestal beslaat elk deel twee bladzijden. Ik was zeer tevreden met het resultaat maar voelde me opeens uitgeput. Ik viel in slaap, hoewel het nog maar net avond was.
Ik werd om middernacht weer wakker. Ik was zo druk bezig geweest met componeren dat ik meteen bij het wakker worden weer muziek hoorde in m’n hoofd. Ik voelde een grote drang meteen voort te gaan. De nacht was pikdonker. Het huis waar ik nu al een half jaar geheel alleen woonde was groot en leeg en op een stille plaats in de bossen. Ik voelde me totaal verlaten en eenzaam. Ik kreeg een rilling van angst en kou over me heen, maar sloeg een deken over me heen en ging aan de piano zitten en speelde mijn zojuist gecreëerde muziek. Meteen erachteraan voelde ik het vervolg als vanzelf opwellen. Ik speelde het even en begon nerveus de noten op te schrijven, bang als ik was dat de ideeën me weer zouden ontglippen. Ik hoefde helemaal niet na te denken maar alleen alles maar op te schrijven. De noten rolden als een vloedgolf over me heen.
Mijn hand begon te beven. Ik voelde opeens dat ik dit nog nooit had meegemaakt. Zo geinspireerd was ik nog nooit bezig geweest. Ik speelde de ontstane muziek en wist dat ik boven mezelf uitsteeg. Ik kon weinig anders doen dan zelf de hele tijd maar versteld staan van wat er op papier kwam. Weer speelde ik het door. Ik had nog nooit zulke hartverscheurende muziek gecomponeerd. Deze muziek was zo teer, zo schrijnend droevig. Ik zocht naar de juiste woorden om het voor mezelf te omschrijven. Ik voelde opeens een loodzware last op me drukken. Ik begon te huilen en zag de noten door mijn tranen heen langzaam bewegen. Het was alsof ik mijn hele droeve leven opeens op me af zag komen. Ik besefte opeens het enorme gewicht van mijn verdriet. Ik raakte volledig in paniek en begon te beven over mijn gehele lichaam. Ik werd ook opnieuw gewaar van de kou om me heen. Alles was kil, doodstil, spookachtig. Alleen het kleine pianolampje brandde. De muziek veranderde tot spookachtige ijle klanken. Mijn hele leven viel als een onvoorstelbare lawine over me heen. Wat er nu met mij gebeurt in mijn leven is een lange serie van totaal onbegrijpelijke gebeurtenissen, een nachtmerrie. Ik voelde me diep verzonken in een gevoel van totaal mislukt te zijn. Er ging door me heen dat dit in feite mijn laatste compositie is. Dit is als een zwanenzang voor mezelf. Mijn afscheid nemen van het leven, zoals Mozart dat deed in zijn Requiem en Tsaikovski in z’n laatste symfonie. Maar dan voelde ik weer dat de compositie vol troost zat. Het was troost voor mij, een teken dat mijn leven niet voorbij is, maar het waardevolste deel pas nu begint! Ooit zal ik hoger vliegen dan ik voor mogelijk hield.
Het begin van het tweede deel liep ten einde en ik merkte ik dat automatisch weer terechtkom op het beginthema, maar nu een hele toon hoger. Ik kreeg de gedachte dat dit een mooi symbool is: Door al het mensenlijden heen gaat de weg naar verlichting, naar verlichting.
Tijdens het componeren was er niets dat ik plande, niets dat ik rationeel aanpakte. Ik schreef alleen maar muzieknoten op die op onverklaarbare manier tot mij kwamen. Steeds sterker kreeg ik het gevoel dat deze muziek niet uit mezelf komt maar van buitenaf. Een vreemde kracht die mij gebruikt als kanaal. Voor het eerst wist ik dat inspiratie inderdaad bestaat. Ikzelf zou dit nooit kunnen bedenken. Ik had nog nooit eerder muziek zo dwangmatig op deze manier gemaakt. Misschien was het Scarlatti die me de muziek ingaf, misschien was het God zelf. Ik kreeg opeens een vreselijk angstig gevoel. Alles was zo doodstil en eng rondom mij. Elke noot die ik hoe zacht dan ook speelde, brak op een bijna gewelddadige manier de absolute stilte van de Finse nacht en verdween in een dikke duisternis de bossen in. Iemand deed mij muziek opschrijven. Ik wist met elke noot dat dit voor mij heilige muziek is. Zo ongeveer om drie uur ‘s nachts was het muziekstuk af en wist ik dat dit het mooiste was wat ik ooit had gemaakt. Een kleinschalig muziekstukje natuurlijk, een miniatuurtje, maar het bevatte alles, mijn totale leven. Het bevatte zoveel dat ik versteld stond van de kracht van zo weinig noten, van slechts een paar momenten muziek. De muziek ontroerde me zo diep als ik alleen soms bij het beluisteren van de langzame middendelen van Mozarts pianoconcerten soms heb ervaren. Ik was aangekomen op de allerdiepste roerselen van mijn ziel. Ik gaf de muziek de naam:
Muziek voor een engel.
Ik speelde de compositie telkens opnieuw. En telkens wanneer het tweede deel begon moest ik huilen en stroomden de tranen over mijn wangen naar beneden. Boven het tweede deel schreef ik ‘Arioso’. Ik bemerkte dat ik in dat tweede deel met mijn linkerhand de pianotoetsen heel zachtjes streelde en wist dat dit liefkozing was. Ik schreef tussen de noten ‘amoroso’. En dan kwam dat meest hartverscheurende moment, maar een paar nootjes. Bij het horen van die nootjes voelde ik alles in elkaar storten en alles in me afbreken. Op deze plaats schreef ik ‘doloroso’.
De volgende dag moest ik naar het conservatorium. Ik speelde de nieuwe compositie voor mijn pianoleraar Jaakko Untamala. Ik was heel bang dat ik dit niet voor elkaar zou krijgen zonder in huilen uit te barsten. En het was voor mij totaal onmogelijk om zelfs maar een vingerwijzing te geven naar de achtergrond hiervan (een liefdeservaring die in een catastrofe eindigde en mij bijna tot zelfmoord dreef). Ik gumde voor de zekerheid mooi de woorden ‘amoroso’ en ‘doloroso’ weer uit.
Ik speelde de compositie en voelde dat deze volkomen eenvoudige muziek alles en het enige was, wat ik als musicus te bieden heb, wat ik als mens in mijn hoofd heb en de wereld te bieden heb. Na het beluisteren ervan was mijn leraar geruime tijd stil en zei hij tot slot: ‘Jij bent iemand waarvan men met volkomen zekerheid kan zeggen dat hij zijn hart op de juiste plaats heeft’. Ik wist meteen dat hij alles begrepen had. Ik bewonderde Jaakko als geen andere Finse man en wist dat hij mij volkomen doorgrondde, zoals hij op het hele leven een diepe kijk heeft. Maar zijn elegante manier van omgaan met mensen weerhield hem er van om ook maar iets van nieuwsgierigheid te laten zien. Hij haalde kundig niets met geweld los, maar liet mij volledig in mijn waarde.
Ik ging vervolgens naar de kontrapuntles en speelde de compositie voor de theoriedocent Lasse Kataja. Ik vertelde hem nog maar een compositie te hebben gemaakt, als een extraatje, omdat ik zoveel van Scarlatti houd. Hij beluisterde de compositie met grote interesse en stond daarna energiek op om naar het volgende leslokaal te gaan waar zijn collega Jouni Kuronen lesgaf. ‘Dit moet je beslist voor Jouni spelen, die is zelf ook componist’. Jouni stond net op het punt naar huis te gaan maar bleef gemoedelijk nog even luisteren, met z’n handen om z’n enorme buik geslagen. Hij zei dat het mooi klonk. Ik legde uit dat ik geprobeerd had in de stijl van Scarlatti te componeren. ‘Scarlatti kun je er goed in horen, maar ook jouw stem. En dat bedoel ik niet als kritiek, want zo moet je het juist doen’, gaf hij als reaktie.
Hoewel ik behoorlijke complimenten kreeg, was ik toch niet helemaal tevreden, want het was me dus niet gelukt een stukje in de stijl van Scarlatti te schrijven.
Een paar dagen later zat ik daarom weer aan de piano, en begon ik weer aan een tweestemmige compositie. Ditmaal nam ik me voor de
556ste Sonate van Scarlatti te schrijven. Het moest zó echt Scarlatti zijn, dat de muziek als hij op fraai oud papier geschreven zou zijn in het handschrift van de andere sonates, zonder meer aan Scarlatti toegeschreven zou worden. De compositie ontstond in een ononderbroken scheppingsvlaag. Ik schreef aan een stuk door, en helemaal zonder problemen tegen te komen. Ik hoefde niets te bedenken, er nooit bij stil te staan hoe ik hem zou kunnen imiteren, maar was zo bekend met zijn stijl dat alles vanzelf ontstond en ik er naderhand om kon lachen bij het nagaan en zoeken van bepaalde scarlatti-elementen ze zonder meer in de kompositie terug te vinden terwijl ik die tijdens het componeren niet eens opgemerkt had. Ik voelde me zo gelukkig en onbezorgd, en wist dat dit ook bij het componeren in de stijl van Scarlatti behoort. Het lukte dus voor 100 procent, en ik was trots op het resultaat. Alles was Scarlatti: de polyfonie van de beginnoten, de loopjes, het kruisen van de handen, de gepeperde en gewaagde clusters die volgens de kenners de spaanse gitaar nabootsen, de gelijkluidende eindkadenzen, het verdwalen in leuke, onmogelijke toonaarden in het tweede deel enz. Ik moest gewoon één maal in m’n leven laten zien dat
ik het ook kon, dat ik
bekwaamheid heb.
De volgende week ging ik weer naar les met een paar muziekbladen in m'n hand en speelde ik voor Lasse Kataja weer een nieuw stukje. Ik legde uit dat deze derde poging pas opleverde waar ik helemaal tevreden mee ben. Het moest een stukje in de trant van Bach zijn, maar het werd om persoonlijke redenen Scarlatti. Maar hier is hij dan ook helemaal in levende lijve! Ik had er wel een week op moeten studeren om het goed te kunnen spelen, want het was technisch gezien geen gemakkelijke muziek. De leraar luisterde weer aandachtig en zei na afloop, alsof hij een slecht geweten had, dat ik echt die laatste opgave niet
zo serieus had hoeven nemen. Ik antwoordde hem dat ik het zo
leuk vond en er niet mee kon ophouden. Ik kon hem natuurlijk met geen mogelijkheid zeggen dat ik al 10 jaar componeerde en nooit over die depressieve gedachte was gekomen dat ik maar wat aanklungel en in feite totaal geen kwaliteiten heb. Ik was op dit moeilijkste moment in mijn leven door mijn eigen scheppingsdrang aangegrepen en in een ander mens veranderd, en wist nu rotsvast dat ik het kon als de bekwaamste, al is het maar voor één zeldzame maal!
Een paar weken later kwam ik ‘s morgens vroeg aan op het conservatorium. Ik liep in de grote aula en hoorde opeens een luide stem vanaf de vijfde verdieping naar me schreeuwen: ‘Zeg, weet je al dat je voor kontrapunt een tien gekregen hebt?’ Nee, natuurlijk wist ik dat niet, en ik schaamde me een beetje -zo Fins ben ik geworden- dat dit zomaar door het gehele gebouw rondgebazuind wordt. Jouni Kuronen stond daar boven naar me te glunderen. Ik ging meteen poolshoogte nemen bij mijn leraar Lasse Kataja, die me ook al glunderend te woord stond: ‘Je had er anders een acht of negen voor gekregen, maar toen wij docenten jouw composities onder ogen kregen, waren we het er meteen eensgezind over eens dat je een tien verdient. Doodeenvoudig om de reden dat muziek van zulke hoge kwaliteit nog nooit eerder in de geschiedenis van ons conservatorium door leerlingen is voorgelegd’. Hij zei het nog eens, alsof hij het er voor de rest van mijn leven voor altijd in wilde stampen: ‘Nog nooit in onze conservatoriumgeschiedenis hebben we zulke mooie muziek voorgeschoteld gekregen. Een uniek geval.’ Hij legde me uit dat kontrapunt één van de moeilijkste vakken is waar velen bang voor zijn en dat het cijfer heel wat waard is.
Ik bemerkte dan ook spoedig dat men er overal in het conservatorium weet van had. Ik voelde me de hele dag gelukkig en vergat voor even mijn zorgen.
Na deze gebeurtenis componeerde ik 3 CDs met eigen muziek, schreef ik twee boeken in het Fins met m'n autobiografie, en later in het nederlands het boek Volwassen Geloof en mijn Commentaar op Aldus sprak Zarathoestra. En mijn drang tot het scheppen van produkten van mijn eigen geest gaat nog steeds onverminderd en onophoudelijk verder. Ik ben sindsdien door mijn eigen geest opgezwiept tot een intens willen beleven van het leven en alles uit mezelf te halen wat er in zit.