Het gevoel voor het wezenlijk onderscheid tussen ’licht’ en ‘donker’ zijn wij, modernen (of postmodernen of: sinds de 'Verlichting', haha), gedeeltelijk kwijt. Kijk naar continubedrijven, naar het vliegverkeer, naar grote steden als New York, London, Parijs, vooruit: ook Amsterdam etc., daar gaat het ‘leven’ ‘snachts ‘gewoon’ door!
De Talmud waarschuwde nog in ± 200 v.C.: “Groet nooit een vreemdeling in de nacht want hij kan de duivel zijn”. En misschien mag ik Jezus Zelf citeren: “Ik moet werken de werken Desgenen, Die Mij gezonden heeft, zolang het dag is; de nacht komt, wanneer niemand werken kan”. (Joh 9:4)
Toch is de mens, al lang voor het kunstlicht kwam, begonnen om de dag en later ook de nacht wat meer ‘onder controle’ te krijgen door de dag in kleine stukken op te delen. Maar het zou vele eeuwen duren voor er iets als een uur was en de minuut is zelfs ‘recent’ te noemen. Om van de seconde maar niet te spreken!
De eerste ontdekking was dat de schaduw van een paal na zonsopkomst eerst korter wordt en na ‘noen’ weer steeds langer.
Onder Tutmoses (± 1500 v.C.) werd een ‘instrument’ bedacht: een lat van om en nabij een halve meter, met aan één eind daaraan bevestigd een opstaand latje: _______________! (zoiets dus).
Bij zonsopkomst werd die lat oost-west gelegd, latJE aan de oostkant en bij noen: latJE aan de westkant.
En dan de lat voorzien van dwarsstrepen zodat je kon lezen hoelang de schaduw erover deed om van de ene streep naar de andere te komen.
Het ding had natuurlijk allerlei onvolkomenheden. Als er geen zon was… nou ja. Maar… in de winter zijn de dagen korter dan in de zomer en wat de dag korter wordt, wordt de nacht weer langer. Zomeruren waren dus langer dan winteruren. Overdag dan!
En er is een wel heel gedegen kennis van de astronomie, de geografie, de wiskunde en wellicht nog meer nodig om voor de verschillende plaatsen op aarde uit te rekenen ‘hoe laat’ het is.
Het is wel weer ‘apart’ dat men vóór en na noen de afstand die de schaduw aflegde in zes stukken verdeelde en zo de dag op 12 ‘uren’ bracht. Waarom nou weer precies 6 halvedag-delen? Komt later wel.
De Romeinen waren in het westen zo ongeveer de eersten, die met een zonnewijzer begonnen te werken. De soldaten werden (vanaf ± 300 n.C.) gedrild tot zij konden marcheren in een tempo van: 30 KM in 5 ‘zomeruren’. In 5 ‘winteruren’ was geen doen.
Maar de zonnewijzer is in de loop der eeuwen steeds verder verfijnd en in de loop van de 16de eeuw was men in staat exemplaren te bouwen, die zowel in de zomer als in de winter vrij accuraat de uren aangaven.
En de meer ‘sophisticated’ leden van de samenleving bezaten een ‘zakzonnewijzer’. Moesten ze wel een wat groot uitgevallen zak hebben.
Maar… men was niet tevreden en zocht door. Men móest en zóu iets uitvinden waardoor het dagelijks leven – wat de ‘tijd’ betreft – verlost zou zijn van de afhankelijkheid, de tirannie van de zon. Er moest iets te vinden zijn, waardoor het duidelijk was welk uur het was, ongeacht het seizoen, ongeacht op welke plaats op aarde men leefde, ongeacht of het dag of nacht was.
Er is een eeuw of wat geëxperimenteerd met een ‘waterklok’. Uit een groot vat viel met regelmaat een druppel in een onderstaand glas. En het aantal glazen dat werd gevuld tussen de ene zonsopkomst en de volgende, gaf aan hoeveel ‘uren’ de dag en de nacht (etmaal) hadden geduurd.
Dat had meteen weer een berg problemen tot gevolg: hoe groot moet de druppel zijn en hoe groot het glas en hoe snel moeten de druppels vallen?
Op andere plaatsen, waar het in de winter vroor, vond men de zandloper uit. Je begrijpt wel waarom. De glasblazers maakten steeds verfijnder zandlopers met steeds kleiner gaatje, zand werd vervangen door uiterst fijngemalen zwart marmer. Dat marmer werd tienmaal gekookt in wijn waar telkens alle schuim nauwkeurig werd afgeschept. Daarna werd het stof gedroogd in de zon en de zandloper werd uiteindelijk luchtdicht afgesloten. Er mocht geen vocht in komen.
En zo kwamen er zandlopers, die één uur ‘duurden’, die drie, zelfs zes uur ‘duurden’. Karel de Grote wilde er een hebben die 24 uur ‘duurde’, maar dat kreeg men niet voor elkaar omdat die veel te groot werd. Hij nam dus noodgedwongen genoegen met een exemplaar goed voor 12 uur. Geweldige bezienswaardigheid! Merktekens aan de buitenkant gaven aan ‘hoeveel uur’ zand er was gevallen. Hoeveel uur er ongeveer was verstreken dus en echt niet op de minuut nauwkeurig. Wat wás trouwens één minuut? Oja!
In Japan, China, Korea en die streken had men ‘vuurklokken’.
In een metalen plaat werd één, vaak fraai gevormde geul geëtst, overal even breed en even diep. In die geul werd fijn gemalen wierook gedaan (heel precies want dat kunnen ze daar wel) en dan aan het begin van de geul aangestoken. Dat verspreidde een lekkere geur en… na een paar decennia of wat langer experimenteren wisten ze – om te beginnen - redelijk nauwkeurig hoe lang een geul wierook moest zijn om te branden tussen zonsopkomst en noen en tussen noen en zonsondergang.
En al doende kwam men verder en had men een ‘tijds’aanduiding voor het hele etmaal.
Over deze periode van ’s mensen inspanning om de tijd ‘onder de knie te krijgen’ is nog veel meer te vertellen, maar ik geef alleen wat ‘headlines’. Wie geïnteresseerd is in de finesses, verwijs ik nog eens naar Daniël J. Boorstin: The Discoverers. Hopelijk kun je het ergens in het Nederlands bemachtigen want de man heeft een ‘rijk’ woordgebruik en dus heb je voortdurend een Engels woordenboek nodig.
Volgende keer ga ik weer verder. Voor de geïnteresseerden uiteraard.
Groeten.
Fons.