Als ik ‘god’ zeg, wordt vaak gedacht dat ik het heb over ‘de god van… deze(n) of gene(n)’. Dat geeft problemen want de diverse religies hebben diverse godsbeelden en binnen die religies zijn de godsbeelden van de individuen niet hetzelfde.
Iets zeggen over ‘dé God van dé christenen’ is dus wat hachelijk. Ik ken het een en ander van de opvattingen van Bultmann, Robinson, Tillich, Schillebeeckx, Kuitert, Vermeersch en ga zo maar door, maar die opvattingen zijn vaak wat verschillend.
Tegenover de subjectieve ideeën over wat christendom is en het godsbegrip daarin, bestaat toch de mogelijkheid zowél over christendom áls over het godsbegrip controleerbare dingen te zeggen.
Intussen heb ik alle respect voor mensen die, om hun weg te vinden in de wereld, een heel persoonlijk ‘geloof’ over al die zaken hebben ontwikkeld. Over het persoonlijke geloof van die mensen heb ik het derhalve niet. Dus niet ‘zeuren’ alsjeblieft!
Daarom… hieronder mijn persoonlijke mening over hét christelijk geloof en dé christelijke God.
1. Het historische Christendom
’Het Christendom’, is net als ‘het Romeinse Rijk’, ‘de Islam’ etc. een betrekkelijk goed beschrijfbaar historisch gebeuren. Zoals bij de meeste historische zaken ligt de buitengrens niet altijd nauwkeurig vast (hoort bijvoorbeeld de zogeheten christelijke Gnosis tot het echte Christendom? Zijn de ‘God is dood’-theologen nog Christenen?) Toch lijkt het mogelijk een kerngebied te omschrijven waarvan de meeste onderzoekers zullen zeggen dat het in alle vormen van Christendom voorkomt.
Als we kijken naar de situatie binnen het Christenheid tot de 17de eeuw, dan zal niemand betwisten dat de meerderheidsstromingen binnen het (Rooms-) Katholicisme, de Orthodoxie, het Anglicanisme en de grote Protestantse kerken zeker tot het Christendom behoorden. De overtuiging van de meerderheid binnen die groepen kwam tot uiting in de concilies en synodes waarvan de opvattingen semper, ubique et ab omnibus (altijd, overal en door allen) als dé Christelijke waarheid werden aangenomen.
Al deze kerken waren het erover eens
a) dat (tenminste) het door de Protestanten aanvaarde Oude en Nieuwe Testament Gods Openbaring was, (De Rooms-Katholieke Kerk beschouwt meer boeken van het Oude Testament als canoniek dan de Protestanten en de Joden)
b) dat de credo's van de eerste concilies, met name het drievulduldigheids-dogma (drie personen, één natuur) en het christologische dogma (één persoon, twee naturen) de kern van de geloofswaarheden uitdrukken.
Dé God van deze kerken had de volgende, algemeen aanvaarde eigenschappen:
* God is Schepper,
* Hij is almachtig,
* Hij is oneindig goed d.w.z. alle positieve eigenschappen zijn in Hem in oneindige mate aanwezig.
Het Anglicaanse Book of Common Prayer: ‘There is but one living and true God, everlasting, without body, parts or passions; of infinite power, wisdom and goodness; the Maker and the Preserver of all things, both visible and invisible’.
Dezelfde tekst is te vinden op de volgende plaatsten
= art. 1 van de Declaration of Principles van de Reformed Episcopal Church.
= art. 1 van de Confessie van Augsburg (Lutheraans), overgenomen door bijvoorbeeld de Apostolic Lutheran Church of America.
= de Nederlandse geloofsbelijdenis (Confessio Belgica) van Guy de Brès, die de grondslag vormde van nagenoeg alle Calvinistisch-Presbyteriaanse confessies (Dordrecht, The Westminster Confession, enzovoorts);
= alle uitspraken van de Rooms-Katholieke Kerk.
Dit godsidee komt - 'nuances' daargelaten – vrij aardig overeen met het Godsbeeld van het Oude Testament, met het Godsbeeld van het Nieuwe Testament en met het Godsbeeld van de kerkelijke traditie. Daarnaast zijn er de vele tientallen gezaghebbende publicaties uit Katholieke, Protestantse en Anglicaanse hoek die dezelfde basiseigenschappen benadrukken.
Overigens, een van de meest vervelende problemen binnen het Christendom, het zogeheten theodiceeprobleem, zou geen reden van bestaan hebben als de gedachte aan een almachtige Schepper en een volmaakte (algoede en alwijze) God géén centraal thema was. (Het theodiceeprobleem stelt de vraag hoe een dergelijke godsvisie te rijmen valt met kwaad en onschuldig lijden dat er in die door God geschapen wereld bestaat).
En nu hoop ik maar dat het voor (alle) lezers duidelijk is dat mijn begrip ‘de God van het Christendom’ niet uit de lucht is komen vallen of door mij bij elkaar is gefantaseerd. Ik wil het alléén maar hebben over wat tot de constante basisbegrippen van alle vormen van Christendom behoort.
Wordt vervolgd.
Groeten.
Fons.
PS Als je denkt: ‘Die lijkt ook Etienne Vermeersch gelezen te hebben’, dan heb je gelijk.