Het onderwijs bestond niet uit colleges, maar uit gesprekken in de stijl van Socrates. Plato was er in dit prille stadium niet op uit om zijn eigen visie aan zijn leerlingen op te leggen, maar hij moedigde onafhankelijk denken aan. Tegelijkertijd werkte hij op papier aan zijn eigen ideeën en werd hij de eerste filosoof wiens werk in zijn geheel is bewaard gebleven. Hij legde zijn ideeën niet als dogma vast, maar gebruikte de vorm van de dialoog, waarin verschillende gezichtspunten worden verwoord.
Aangezien Socrates de hoofdspeler in deze dialogen was, resulteerden ze nooit in een vastomlijnde conclusie. Plato’s dialogen waren geen definitieve argumenten, maar een uitnodiging om verder te denken, zodat de lezer zou beseffen hoe complex de beschreven onderwerpen waren.
Plato valt niet te vergelijken met een hedendaagse academicus. Hij zette zijn ideeën niet plechtig en logisch uiteen, maar bracht ze vaak heel speels, indirect en dubbelzinnig, door allegorieën te gebruiken en met raadselachtige en obscure beelden naar fundamentele waarheden te verwijzen. Hij geloofde dat het een moeizaam proces was om achter de waarheid te komen, en dat er een lange, gedegen oefening in dialectiek voor nodig was.
In zijn geschreven werk gebruikte hij ook de aloude werkwijze van de mondelinge overdracht, die onderkende dat de waarheid niet louter door een opsomming van feiten overgebracht kon worden, maar ook door intuïtie, esthetisch inzicht en verbeeldingskracht, die tevens empirische waarneming en strenge logica vereiste.
Plato’s filosofie wordt beheerst door wat doorgaans de ‘leer van de vormen’ wordt genoemd, hoewel dit nooit een consistente theorie is geworden. Moderne onderzoekers hebben een ontwikkeling in zijn denken proberen te vinden, en volgens sommige heeft hij aan het einde van zijn leven de vormen geheel losgelaten; maar het is een vergissing om in Plato’s werk naar een duidelijke intellectuele groei te zoeken. Waarschijnlijk begon hij aan een nieuwe dialoog voordat de vorige voltooid was, en werkte hij dus aan meerdere tegelijk. Nu eens probeerde hij de ene benadering, dan weer de andere; af en toe beschreef hij vormen op mystieke wijze als goddelijke figuren, in andere gevallen definieerde hij ze rationeler.
In elke dialoog benaderde hij het lastige concept vanuit een andere invalshoek, zodat we te maken hebben met een reeks elkaar overlappende betogen (die een algemeen idee van de vorm als abstract denkobject presenteren) door een aantal filosofische vragen te stellen.
Op die manier probeerde hij voortdurend te ontdekken hoe dit ogenschijnlijk cryptische begrip nuttige toepassingen kon hebben in de warrige en verontrustende wereld van de vierde eeuw (v.C.).
Hiermee heb ik een klein stukje overgetikt uit de 500 pagina’s van Karen Armstrong’s laatste boek ‘De GROTE transformatie’. Het boek is kort na verschijnen al in de ‘Boeken Top Tien’ beland en, wat mij betreft, terecht! Ik word daarom niet moe iedereen aan te raden de tijd en de moeite te nemen haar beschrijving van de vier grote culturen: Chinese, Voor-Indische, Joodse en Griekse (900 v.C. – 200 v.C.) eens te lezen. Het werkt bijzonder ‘relativerend’ wat betreft de ideeën en zekerheden die we denken te hebben en: ‘van de geschiedenis valt veel te leren’. En ík denk niet ver mis te zitten als ik beweer dat we dat laatste veel te weinig doen.
Van de andere kant: ‘Wat niet weet dat niet deert’. Zo is het óók weer!
Groeten.
Fons.