Deze begrippenparen aldus tegenover elkaar geplaatst roept in mij een vraag op die wellicht kan helpen om het atheïsme, zoals het in onze samenleving zo’n belangrijke rol speelt, beter te kunnen begrijpen.
Hoewel ik veel van de kritiek die op religie wordt geuit goed kan begrijpen, en ook grotendeels deel, is ook een aanzienlijk deel van deze kritiek voor veel verbetering vatbaar. Veel van de kritiek doet op bepaalde punten een beetje kinderlijk aan, een beetje simplistisch, een beetje lomp en kort door de bocht, met name wanneer het op de onderwerpen aankomt waarin ervaring een belangrijke rol speelt, zoals die van de disciplines die door Dilthey de geesteswetenschappen zijn genoemd (zoals taal, geschiedenis, psychologie, recht).
Waarom is dat zo? Waarom voelt het alsof kritiek op religie hier vaak achterblijft?
Ik denk en vermoed dat het voor een groot deel te maken heeft met de status en rol die in de verschillende denkwijzen wordt toegekend aan de intuïtie. Zou het kunnen dat de religieuze terminologie meer respect heeft voor – dat wil zeggen: laten de religieuze begrippen meer ruimte open voor – de status en rol van de intuïtie?
Zou het kunnen dat religie – meer dan het atheïsme dit doet – erkenning geeft aan de uitermate cruciale rol die intuïtie speelt in ons handelen? Aan de manier waarop de intuïtie eigenlijk, als we hier eerlijk over zouden willen zijn, heer en meester over ons is?
Intuïtie is een gevoel, een aandrang, een wil om je een bepaalde kant op te bewegen, zonder dat je – en dit is cruciaal – zonder dat je precies weet waarom dat zo is. Je wil iets, maar je weet niet waarom, en dat maakt ook niet uit.
Wat doen we, als we iets willen, maar niet weten waarom? En wat zouden we moeten doen? Moet de wil dan buigen voor het weten? Of moet het weten juist baan maken voor de wil?
Dat is de vraag.
De intuïtie wordt soms wel met de vrouwelijke kant van het denken in verband gebracht. Het is een overgeven-aan, in plaats van een domineren-van dat het logisch denken vaak is. Zou het kunnen dat er in de meer rationele benaderingswijzen van de wereld onvoldoende aandacht is voor, onvoldoende zeggingskracht wordt toegekend aan, deze zogenaamd vrouwelijke aspecten van het denken?
Heeft het atheïsme voldoende respect voor de intuïtie? Is het niet te kil, rationeel, mannelijk? Maar, veel belangrijker nog, verdient de intuïtie dit respect eigenlijk wel? Of is het juist goed dat ze door het berekende denken in toom wordt gehouden?
Tot zover de vraag die ik u voorleg.

Een mogelijke zwakte van het atheïsme
Dan nu een eerste opmerking. Het atheïsme, zoals dat zich in onze samenleving voordoet, lijkt zich voor de heerschappij van de intuïtie te schamen. Het schijnt haar heerschappij te willen ontkennen. Het lijkt te willen doen alsof alleen het zeker weten, de kennis en de logische inzichtelijkheid zouden mogen heersen over ons. Uiteindelijk zien we echter dat ook hier zoals overal precies diezelfde intuïtie het enige doorslaggevende is – het enige dat werkelijk iets te zeggen heeft.
Religie is hier iets eerlijker over door over ‘de wil van God’ te spreken, over ‘het Goede’, of iets dergelijks onbepaalds en onbepaalbaars. Het blijft duidelijk dat het vaag is, dat het om een onbegrijpelijke ervaring gaat. In die zin is de religieuze terminologie dus te bezien als een klein beetje eerlijker over de beweegredenen die worden aangedragen. “Omdat het moet” zegt religie – en dat is natuurlijk nooit fijn om te horen. Maar misschien is het wel zo eerlijk.
Zo beschouwd lijkt het er dus op dat het atheïsme op dit punt nog een inhaalslag te maken heeft – in de erkenning van de status en rol van de intuïtie – wil het een verklarend model kunnen zijn voor de bewegingen van deze wereld. Of is de intuïtie soms werkelijk zo waardeloos als ze door haar tegenstanders geschetst wordt, en is het juist gunstig om te proberen ons bij haar heerschappij vandaan te bewegen?
